Ein Deutsches Requiem (Brahms)

18 november 2011 - Heiloo, Ter Coulsterkerk

20 november 2011 - Den Helder, Petrus en Pauluskerk

Programmaboekje
Ter Coulsterskerk - Heiloo
Petrus en Pauluskerk - Den Helder

Programmaboekje 201111-web.pdf
Adobe Acrobat document 3.7 MB

Werk

Johannes Brahms (1833 - 1897)

I

Ziemlich langsam und mit Ausdruck koor

II

Langsam, marschmäßig koor

III

Andante moderato koor en bariton

IV

Mäßig bewegt koor

V

Langsam koor en sopraan

VI

Andante koor en bariton

VII

Feierlich koor

Foto's

Uitvoerenden

Introductie

Bij een Requiem denken we vaak direct aan ‘zware’, traditionele kerkmuziek die bij belangrijke begrafenissen ten gehore wordt gebracht. In de loop der eeuwen is er door tal van componisten een schier oneindige reeks van deze ‘dodenmissen’ ontstaan met een grote verscheidenheid in karakter: van intiem en bescheiden tot groots en uitbundig (denk hierbij aan het grote Requiem van Verdi). Maar altijd in een vaste opbouw van misonderdelen die in de katholieke liturgie zijn voorgeschreven. En altijd hebben die tot doel de overledene te begeleiden naar het hiernamaals. En altijd was de tekst in het (voorgeschreven) Latijn.

 

Hoe anders ging de toen 35-jarige Johannes Brahms om met het begrip ‘Requiem’. In plaats zich te concentreren op de overledene richtte hij zich op het troosten van de nabestaanden. Universele troostmuziek voor allen die geliefden te betreuren hebben. Het was ook niet zijn bedoeling om liturgische muziek te schrijven, hij schreef een religieus werk voor de concertzaal, zoals Handel dat eerder had gedaan met zijn Messiah en Beethoven met zijn Missa Solemnis. Brahms refereerde hiermee enigszins aan de Musikalische Exequien (‘Teutsche Begräbnis-Missa’, 1636) van Heinrich Schütz die hiermee een protestantse tegenhanger wilde creëren van de Latijnse dodenmis. Sommige van de door Schütz gebruikte teksten komen we ook bij Brahms weer tegen.

 

De toevoeging ‘Deutsches’ wil meer zeggen dan de vervanging van Latijn door Duits. Ook de inhoud van de tekst wijkt sterk af van een traditioneel Requiem. Hier vinden we geen hel en verdoemenis in een ‘Dies Irae’, maar wel een ‘Selig sind die Toten’. Achteraf vond Brahms zelf dat men zijn toevoeging ‘Deutsches’ vooral moest interpreteren als ‘menschliches’.

 

De inspiratie tot dit werk kreeg Brahms al ruim twintig jaar voor de eerste uitvoering. De tragische dood van zijn vriend en leraar Robert Schumann in een inrichting in 1856, twee jaar na een zelfmoordpoging in de Rijn, greep Brahms sterk aan. In 1861 had hij de teksten al verzameld, maar de compositie kwam pas echt op gang na de dood van zijn moeder in 1865.

Tijdens een Schubert-herdenking op 1 december 1867 in het katholieke Wenen werden slechts de eerste drie delen uitgevoerd. Men was anders bang het publiek te overbelasten met het werk van deze zwaartillende Noord-Duitser. Het stuk werd evengoed op gejoel en gesis onthaald, zonder dat Brahms daarvan erg onder de indruk was. Na de pauze werd Rosamunde van Schubert gespeeld.

De Goede-Vrijdaguitvoering in Bremen, voor een publiek van 2500 personen, werd daarentegen een groot succes en moest drie weken later worden herhaald. Het Deutsches Requiem omvatte toen trouwens nog maar zes delen en had alleen een baritonsolist; het latere deel V, met de sopraansolo, ontbrak nog.

Aan de uitvoering ging bovendien een discussie met het kerkbestuur vooraf, dat het ontbreken van Christus’ kruisdood in het stuk onaanvaardbaar achtte; na deel III werd het stuk daarom onderbroken voor een uitvoering van de sopraanaria ‘Ich weiss daß mein Erlöser lebt’ uit Handels Messiah. Wellicht dat deze sopraansolo Brahms inspireerde tot zijn toevoeging ‘In Gedanken an die Mutter’, waarmee hij niet alleen een vrouwelijke solist introduceerde maar ook de hele architectuur in evenwicht bracht. Brahms droeg het werk op aan de nagedachtenis van zijn moeder en Robert Schumann.

 

De oorspronkelijke versie van het Deutsches Requiem vergt een enorme orkestbezetting: behalve strijkers en dubbel bezette fluiten, hobo’s, klarinetten, trompetten en fagotten zijn er vier hoorns voorgeschreven, drie trombones, een tuba, een contrafagot, een harp, pauken en ad libitum een orgel.

Maar reeds in januari 1869 voltooide Brahms op verzoek van zijn uitgever een versie waarin het orkest is vervangen door piano à quatre mains. Deze versie beleefde zijn première in London, op 10 juli 1871 en heet daarom sindsdien de ‘Londense versie’; daarin werd overigens ook een Engelse tekst gebruikt.

 

Deze reductie tot kamermuzikale proporties door de componist zelf is niet verbazend. Er bestond in de burgerlijke salons van de negentiende eeuw een grote behoefte aan quatre-mainsversies van symfonisch werk; zo’n versie versnelde de verspreiding en vergrootte de bekendheid ervan. Daar komt bij dat Brahms toch al vanuit de piano dacht en componeerde. Niet alleen was het tweede deel van zijn Requiem aanvankelijk ontstaan als sonate voor twee piano’s, diverse andere van zijn orkestwerken (zoals de Hongaarse dansen en de Haydn-variaties) zijn oorspronkelijk voor twee pianisten geschreven en pas later georkestreerd.

De pianoversie is daardoor geen bleek aftreksel van het origineel maar een zelfstandige, meer intieme compositie waarin de tekst en het koor prominenter zijn, de polyfone vocale lijnen helderder en de harmonieën herkenbaarder worden. De tekstexpressie en de religieuze betekenis komen daardoor beter tot hun recht.

 

De uitvoering die u vandaag gaat horen is dus de ‘Londense versie’ met instrumentale ondersteuning van twee vleugelpiano’s, maar wel in de oorspronkelijke, Duitse taal. Wij hebben ons verzekerd van de medewerking van uitstekende solisten en pianisten, alsook een verantwoorde uitbreiding van ons koor met projectzangers en last-but-not-least onze onvolprezen dirigent Paul Valk, zodat wij u vol vertrouwen een onvergetelijk concert toewensen!

Bestuur kamerkoor Sine Nomine

Johannes Brahms

De grote muzikale talenten van Johannes Brahms werden al snel door zijn ouders herkend en hij kreeg dan ook les van de beste leraren van Hamburg. Tegelijkertijd moest de jonge Brahms, om zijn ouders te steunen in hun voortdurende strijd tegen de armoede, populaire muziek spelen in bars en bordelen! De (over)perfectionistische componist vernietigde waarschijnlijk meer dan de helft van zijn eigen werk, raakte door zijn successen in goeden doen, maar leefde altijd eenvoudig. Samen met zijn intieme vrienden Robert en Clara Schumann ondersteunde hij jonge veelbelovende musici. Tijdens zijn leven maakte hij veel vijanden door zijn ongezouten manier van optreden, maar hij had (juist daardoor?) ook veel vrienden. Johannes Brahms overleed, 63 jaar oud, op 3 april 1897 aan leverkanker in Wenen. Zijn begrafenis was een grootse gebeurtenis: op de route naar de begraafplaats waren duizenden mensen aanwezig. Ook zijn geboortestad Hamburg treurde: tijdens de begrafenis hingen daar de vlaggen halfstok.

Ontstaansgeschiedenis

De inspiratie tot dit werk kreeg Brahms al ruim twintig jaar voor de eerste uitvoering. De tragische dood van zijn vriend en leraar Robert Schumann in een inrichting in 1856, twee jaar na een zelfmoordpoging in de Rijn, greep Brahms sterk aan. In 1861 had hij de teksten al verzameld, maar de compositie kwam pas echt op gang na de dood van zijn moeder in 1865.

Tijdens een Schubert-herdenking op 1 december 1867 in het katholieke Wenen werden slechts de eerste drie delen uitgevoerd. Men was anders bang het publiek te overbelasten met het werk van deze zwaartillende Noord-Duitser. Het stuk werd evengoed op gejoel en gesis onthaald, zonder dat Brahms daarvan overigens erg onder de indruk was.

De Goede-Vrijdaguitvoering in Bremen, voor een publiek van 2500 personen, werd daarentegen een groot succes en moest drie weken later worden herhaald. Het Deutsches Requiem omvatte toen trouwens nog maar zes delen en had alleen een baritonsolist. Het latere deel V, met de sopraansolo, ontbrak toen nog.

Aan de uitvoering ging bovendien een discussie met het kerkbestuur vooraf, dat het ontbreken van Christus’ kruisdood in het stuk onaanvaardbaar achtte. Na deel III werd het stuk daarom onderbroken voor een uitvoering van de sopraanaria ‘Ich weiss daß mein Erlöser lebt’ uit Handels Messiah. Wellicht dat deze sopraansolo Brahms inspireerde tot zijn toevoeging ‘In Gedanken an die Mutter’, waarmee hij niet alleen een vrouwelijke solist introduceerde, maar ook de hele architectuur in evenwicht bracht. Brahms droeg het werk op aan de nagedachtenis van zijn moeder en Robert Schumann.

Dirigent Paul Valk

Dirigent Paul Valk stuurt sinds 1993 het Alkmaarse kamerkoor Sine Nomine aan en heeft daarnaast de muzikale leiding van het Amsterdams Gemengd Koor en over het koor van de Amsterdamse Dominicuskerk. Daarnaast begeleidt hij op piano en orgel vocalisten en instrumentalisten:

“Als je de beroemde Requiems van Mozart, Fauré, Duruflé en Verdi meerdere keren hebt mogen uitvoeren en ook nog enkele onbekende (Vittoria, Cimarosa, Puccini, Beijer) dan gaat er iets in jezelf kriebelen... Er mist nog iets: die ene 'o zo troostvolle' versie van Brahms..! Dit jaar heb ik naast een goede vriend van me zowel mijn vader als mijn schoonvader moeten begraven. Een bewogen jaar dus in de familie. Juist omdat er zoveel troost vanuit gaat, zowel tekstueel als muzikaal, ervaar ik het als zeer bijzonder om dit Deutsches Requiem nu uit te voeren. De muziek tilt je op, óók als je dirigeert. Daarom voel ik mij zo'n bevoorrecht mens.

Brahms, hij componeerde ook het bekende 'Wiegenlied', in menig speeldoosje te horen. De tekst zegt o.a.: ‘Guten Abend, gute Nacht, von Englein bewacht / Die zeigen im Traum, dir Christkindleins Baum / Schlaf nun selig und süß, schau im Traum's Paradies / Schlaf nun selig und süß, schau im Traum's Paradies.’

Van het zoete slapen van een kleintje tot het voor eeuwig inslapen van een volwassene, Brahms' klanken begeleiden het en geven kleur aan het leven.”

Sopraan Hieke Meppelink

Hieke Meppelink heeft een omvangrijk concertrepertoire opgebouwd en inmiddels met vele gerenommeerde orkesten en ensembles gezongen. Hieke ontving haar opleiding aan de conservatoria van Amsterdam en Utrecht: “Het Deutsches Requiem van Brahms is groots en indrukwekkend en geeft uitdrukking aan het onzegbare in het leven. Als je daar als musicus deel van uit mag maken, voel je je na afloop innerlijk rijker. De sopraansolo ‘Ihr habt nun Traurigkeit, aber ich will euch wieder sehen’ troost hen die verdriet hebben om het verlies van een dierbare. Na afloop van zo'n monumentaal muziekstuk kun je alleen nog maar stil zijn...”

Bariton Martijn Sanders

Martijn Sanders was prijswinnaar van meerdere zangconcoursen in Duitsland en Oostenrijk, debuteerde bij De Nederlandse Opera in de opera Tea van Tan Dun en bij de Nationale Reisopera als Patroclus in Tippett’s King Priam. Sindsdien is hij in vele uiteenlopende rollen te horen op verschillende podia in Duitsland, Oostenrijk en Nederland.

Pianist Ernst Binnenkamp

Ernst Binnenkamp speelt graag kamermuziek, treedt ook op als solist en is actief als begeleider van diverse instrumentalisten, masterclasses, concoursen en koren. In het soloprogramma ‘Bach & Beyond’ slaat hij een brug tussen de geniale muziek van Johann Sebastiaan Bach en de meest recente Minimal Music: “Als student aan het conservatorium maakte ik als repetitor bij het Utrechts Oratoriumkoor voor het eerst kennis met Brahms’ Requiem. Het is voor een pianist heel bijzonder deze bijzondere uitvoering zelf mee te spelen, meestal houdt ons werk bij dit stuk op voor de uiteindelijke uitvoering: dan wordt jouw taak overgenomen door een orkest. Een buitenkans dus!”

Pianiste Annelies Komen

Annelies Komen begeleidt sinds 1987 Toonkunst Alkmaar diverse oratoriumwerken. Tevens ondersteunt Annelies diverse koren, solisten en instrumentalisten bij concerten. Annelies zong tevens vele jaren als alt bij Sine Nomine: “De mooiste zin in dit werk vind ik ’Wie einen  seine Mutter tröstet’: Zoals iemand getroost wordt door zijn moeder, zo wil ik u troosten. Dat is toch prachtig. Ook de harmonieën van deze frase gaan zo door mijn ziel dat ik er een enorm warm en vredig gevoel bij krijg. Ik verheug me op dit project en ben blij dat ik één van de twee vleugels mag bespelen.”

Toelichting door Eduard van Hengel

I

Het duurt even voor koor en instrumentalisten elkaar vinden; de a-cappella entree van het koor verwijst naar de traditie van de kerkmuziek. In een droefgeestige stemming, als uit diepe duisternis, klinken woorden van troost, ontleend aan Christus’ Bergrede, die zich richten tot de levende, lijdende en treurende medemens. Maar de toon is aarzelend, meditatief, een vermoeden uitend en geen zekerheid verkondigend zoals straks aan het slot het ’Selig sind die Toten‘ zal klinken. De muziek wordt wat levendiger als de levensgang wordt geschetst: werken is afzien maar oogsten schenkt voldoening. Pas nu blijkt de betekenis van het eerste thema van de pianisten te zijn ‘Sie gehen hin und weinen’. Bij ‘Freuden’ zorgen begeleidende triolen voor wat vrolijkheid, maar dan keren - volgens een eenvoudige A-B-A-structuur - tekst en sfeer van het begin weer terug.

 

II

Deel II behandelt de onverbiddelijke, met de natuur gegeven noodzakelijkheid van ‘s mensen sterfelijkheid, en de troost die daarvoor te vinden is in het cyclisch karakter van de natuur. Een veel dramatischer deel dan het vorige, vol scherpe, ‘barokke’ contrasten en een veel minder gesloten structuur. De pianisten zetten een sarabande-achtige treurmars of dodendans in (in driekwartsmaat); men zag er wel de genadeloze maaier met zijn zeis in. Hierin blijkt vervolgens een sombere, strenge koraalmelodie te passen, door het koor unisono gezongen, de eerste keer zacht en uit de verte, berustend klinkend, een tweede keer luid, opstandig en verontrustend. Het geduld van de ervaringsdeskundige landbouwer zorgt direct voor een beweeglijker, enigszins opbeurend maar ook weinig diepgaand intermezzo; je hoort de regendruppels vallen. Maar na terugkeer van de dreigende treurmars wordt deze A-B-A-structuur vervolgd met het uitzicht op duurzame vertroosting: niet de allegorie van de natuur maar ‘des Herren Wort’. De muziek verandert definitief, de treurmars zal niet meer terugkomen. Een triomfantelijke fuga (‘Die Erlöseten ...’) verkondigt met grote stelligheid de Oud-testamentische verlossingsprofetie. Terwijl het koor zijn fugatisch werk onderbreekt met zowel uitbundige als intieme schetsen van ‘ewige Freude’, herinnert het lapidaire ‘Erlöseten’-motief in de begeleiding er voortdurend aan wat de grond van al deze blijdschap is: een tekstueel contrapunt, waarvan Brahms zich nog enkele malen zal bedienen. Brahms erkende ooit dat één bekende Lutherse koraalmelodie aan zijn compositie ten grondslag lag, zonder ergens expliciet geciteerd te worden. Men is het er wel over eens welk koraal dit is: ‘Wer nur den lieben Gott lässt walten’, met zijn vervolgzin ‘und hoffet auf ihn allezeit’. Het ‘koraal’ in dit tweede deel refereert daar nog het duidelijkst aan.

 

III

Was het perspectief van deel II generaliserend, kosmisch, de mensheid als geheel betreffend, met de entree van de eerste solist verschuift het naar de individuele sterfelijke mens. Bij de Oud-testamentische tekst ‘Herr, lehre mich.... ’ kiest Brahms de archaïsche vorm van het responsoriaal gezang, de uit de vóórchristelijke synagogale liturgie bekende wisselzang van een voorzanger en een koor, waarbij het koor getrouw tekst en muziek van de voorzanger volgt, in wie men wel een vaderfiguur, of hier zelfs Robert Schumann heeft willen zien. Op de woorden ‘Tage’ en ‘Leben’ zingt de bariton een kort motiefje, een gepuncteerde noot gevolgd door een huppeltje van twee snelle zestienden dat je als eindigheidsmotiefje kan beschouwen, en dat ons, telkens wanneer het in ‘t vervolg terugkeert als begeleidingsfiguurtje, instrumentaal en zonder woorden, aan die vergankelijkheid wil herinneren. De bariton vertrekt na de vertwijfelde vraag ‘Wes soll ich mich trösten?’, zonder toe te komen aan het laatste, bevestigende Psalmwoord ‘Ich hoffe auf dich’, want het koor neemt de gestelde vraag over in een zelfverzekerde fuga, begeleid door het eindigheidsmotief; de vraag wordt steeds dringender gesteld, maar blijft in de lucht hangen. Het antwoord ‘Ich hoffe... ’ klinkt eerste aarzelend, zachtjes en voorzichtig maar groeit in acht maten uit tot een statement van onwankelbaar godsvertrouwen: een imposante klassieke fuga op de woorden ‘Der gerechten Seelen..’ met een barok-figuratieve begeleiding, en steunend op een standvastige, liefst 36 maten aanhoudende lage D, een’orgelpunt‘. Het lange en anderhalf octaaf beslaande thema, waarin het negatieve woord ‘Qual’ schrijnend wordt geïllustreerd met een dalend verminderd-septiemakkoord, wordt onderworpen aan allerlei behandelingen uit de achttiendeeeuwse contrapuntische trukendoos. Allengs stabiliseert zich de harmonie op het lang uitgestelde D-groot akkoord. Brahms verklaarde ooit de bergschoenen die hij versleten had voor het ontwerpen van deze beroemde orgelpuntfuga grootmoedig níet te hebben gedeclareerd bij zijn uitgever.

 

IV

In het centrum van Brahms’ Requiem heerst stilte, als in het oog van de orkaan. Het perspectief is weer collectief: de achtergeblevenen benijden de geborgenheid van de doden in Gods paradijselijke omgeving. Een teder en sprookjesachtig lied, dat zo tussen de Liebeslieder-Walzer zou passen. De overheersende homofonie wordt slechts onderbroken door een korte fuga op ‘Wir loben dir’, waarin telkens twee stemmen samen optrekken: de eerste voert het thema en spreekt de tekst, de tweede voegt, als contrapunt, de daad bij het woord: ‘loben’. Dan keert de begintekst weer terug.

 

V

Door de uiteindelijke invoeging van dit deel, ‘In Gedanken an die Mutter’, realiseerde Brahms de fraaie symmetrie in zijn werk, en introduceerde hij de vrouwelijke solist. Terwijl in het symmetrisch tegenover liggende deel III de baritonsolist de troostbehoevende sterfelijke mens vertegenwoordigt, spreekt hier een angelieke sopraan de achtergeblevenen geruststellend toe, als een overledene die zich vanuit de hemel om zijn nabestaanden bekommert. De tekst van de sopraan is die van Jezus die - bij het afscheid van zijn discipelen - spreekt als eersteling dergenen die zullen wederopstaan. Sopraan en koor gaan hier tekstueel gescheiden wegen, het koor volstaat ermee zich op de Jesaja-tekst telkens maar weer het beeld van de troostende moeder voor de geest te halen. Koorsopranen (en in de herhaling ook de tenoren) zingen hun ‘trösten’ op de melodie waarop de sopraansolist ‘wiedersehen’ zong, de bron van troost, maar doen dat in het halve tempo (dubbele notenwaarden) als laten zij de betekenis ervan langzaam tot zich doordringen. Opnieuw slaan Brahms’ noten een exegetische brug tussen twee teksten. Na een middendeel waarin de solist de tekst uit het apocriefe bijbelboek Jezus Sirach zingt, keert het begin terug, maar nu pikken de tenoren het troostwoord al op vóór het is uitgesproken. Gesuggereerd is wel dat Brahms met dit deel wilde teruggrijpen op een merkwaardig oud gebruik tijdens begrafenissen, waarbij iemand zich ten slotte vanuit het open graf namens de dode troostend tot de nabestaanden wendde; dat lijkt weinig in overeenstemming met Brahms oogmerk om juist géén specifieke begrafenismuziek te schrijven.

 

VI

Dit is niet alleen het grootste deel, een kwart van de partituur, maar ook, met deel II het meest dramatische, met als kern de overwinning van het leven op de dood. Hier geen herhalingen, da-capo’s of beschouwelijke A-B-A-structuren, maar een doorgaande, oratorium-achtige dynamiek, onstuitbaar stuwend naar de majestueuze slotfuga. De draad van deel IV (‘Wohnungen, Vorhöfen, in deinem Haus’) wordt hier weer opgepakt (‘keine bleibende Statt’); de invoeging van deel V doet zich gevoelen. Het begin is aarzelend; als een stuurloos pelgrimskoor sleept zich de mensheid voort, melodisch richtingloos en harmonisch wankelend tussen mineur en majeur, ook het ritme herinnert aan de treurmars van deel II. Totdat de solist, bevrijdend en richtinggevend intervenieert met de opstandingsprofetie van de apostel Paulus die op zijn beurt Jesaja 25:8 en Hosea 13:14 citeert. Het koor herhaalt zijn woorden braaf, maar wordt pas gegrepen bij de aankondiging van ‘de laatste bazuin’. Brahms passeert, conform zijn bedoeling, alle eerdere bazuinen des oordeels die allerlei verschrikkingen en gruwelijkheden over levenden en doden afroepen, en beperkt zich tot de laatste, die de doden uit hun graven roept. Dat signaal wijzigt plotseling maat en toonsoort en ontketent het koor. Tegen de achtergrond van een tumultueuze begeleiding die aan een ‘Dies Irae’ herinnert, scandeert het koor de overwinning op de dood; de aarde beeft, bliksemschichten flitsen, maar de dood wordt bespot en de hel triomfantelijk uitgelachen. En dan volgt als bevrijdende apotheose de lofprijzing ‘Herr, du bist würdig...’: een monumentale, als uit rots gehouwen fuga in C-groot. Tweemaal lijkt de fuga ten einde, maar ze herneemt zich, na korte gelukzalige episodes ‘Denn du hast alle Dinge geschaffen..’.

 

VII

Met het laatste deel sluit zich de cirkel. Niet alleen de tekst van deel I (‘Selig sind ...’) keert terug, aan het eind wordt zelfs de muziek ervan geciteerd, en aan het begin klinkt eenzelfde orgelpunt op de lage F. En ook de introverte, meditatieve sfeer en klankkleur zijn dezelfde. De dood is niet langer bron van treurnis maar van troost, zij is niet het einde van het leven maar van pijnlijk, moeitevol geploeter en biedt uitzicht op eeuwig leven. Maar deze laatste zaligprijzing klinkt een stuk overtuigender dan de eerste: klinkt niet aarzelend en zachtjes vanuit de diepte, maar wordt zelfverzekerd vanuit de hoogte door de sopranen ingezet. Evenals in deel I vinden we ook hier een beweeglijker middendeel (A-B-A-structuur), dat een wat pastorale schets biedt van de rust na gedane arbeid.

Advertentiepagina

Paginagrote advertentie in de 'Uitkijkpost'
verenigingspag nov2011-def.pdf
Adobe Acrobat document 1.5 MB

Komende concerten:

za

16

dec

2017

Midwinterconcert - O Nata Lux

Oude Ursulakerk, Warmenhuizen

meer lezen

zo

17

dec

2017

Midwinterconcert - O Nata Lux

Cultuurkoepel, Heiloo

meer lezen

Concertnieuws:

Met onderstaande knop kunt u zich aan- of afmelden voor ons Concertnieuws, de gratis mailing om op de hoogte te blijven van onze concerten.

aanmelden Concertnieuws

Contact:

Secretaris Sine Nomine

p/a Kennemerstraatweg 193

1814 GJ ALKMAAR

Mail de secretaris

Design by: RICH+